Henrik Ibsen: Peer Gynt

‘Peer Gynt’, het toneelstuk dat de Noor Henrik Ibsen in 1867 schreef en waarvoor Edvard Grieg (1843-1907) in 1878 de muziek componeerde. De première was een groot succes en Peer Gynt is door de jaren heen in verschillende bewerkingen veel opgevoerd. Grieg heeft van een aantal nummers twee suites samengesteld : opus 46 en opus 55, met daarin het bekende Morgenstimmung en ‘Solveigh’s song’

Peer Gynt
De naam Peer Gynt komt het eerst voor in de bundel Noorse volkssprookjes ‘Norske Folkeeventyr’, volksverhalen en sprookjes uit het Gudbrandsdal, in 1845 op schrift gesteld door Peter Christen Asbjörnsen en Jörgen Moe. Zij werden geïnspireerd door de gebroeders Grimm uit Duitsland. Het vertelt het verhaal van de jager Peer Gynt die drie melkmeisjes redde van de trollen en een reuze trol schoot. Henrik Ibsen inventariseerde op verzoek van de Noorse regering volksverhalen en stuitte in Vinstra op het historische verhaal. Hij was overtuigd van het feit dat het volksverhaal van Peer Gynt deels op de werkelijkheid berustte en nam dit verhaal in 1867 als basis voor zijn lyrisch gedicht ‘Peer Gynt’. Het gedicht handelt over drie fasen in het leven van Peer Gynt, een half legendarisch, half fictioneel figuur.

Henrik Ibsen verzocht de Noorse componist Edvard Grieg muziek bij zijn toneelversie te componeren. In1876 werd het toneelstuk in vijf delen voor het eerst succesvol met deze muziek in Kristiania (Oslo) opgevoerd. Het gold lange tijd als het ‘…enige grote nationale toneelstuk dat bij feestelijkheden werd opgevoerd…’.

Er zijn veel opvoeringen van de toneelversie van Ibsens ‘Peer Gynt’ op veel verschillende locaties geweest. Ook zijn er diverse bewerkingen gemaakt en hebben meerdere componisten muziek voor ‘Peer Gynt’ gecomponeerd, waaronder de Noor Harald Saeverud. Werd de hoofdpersoon in de 19de eeuw in Noorwegen gezien als sprookjesheld waar men trots op kon zijn, in de 20ste eeuw werd er kritisch gekeken naar ‘Peer Gynt’ en de muziek van Edvard Grieg. Hans Jacob Nilsen, directeur/regisseur van Det Norske Teatret in Oslo, liet het stuk in het Nieuw-Noors overzetten en vroeg de componist Harald Saeverud in 1948 een compositie voor deze nieuwe enscenering te maken.

Henrik Ibsen; dichter en toneelschrijver 

Leven en werk
De dichter en toneelschrijver Henrik Ibsen werd in 1828 in Skien in Noorwegen geboren. Hij kwam uit een vooraanstaande koopmansfamilie die echter verarmde door het failliet van de vader toen Ibsen acht jaar oud was. De gevolgen van deze situatie, met name de armoede en de maatschappelijke problemen, hebben diepe indruk op de jonge Ibsen gemaakt en zijn leven blijvend beïnvloed. Boer noemt hem ‘…een eenzaam kind, zonder kameraden, dat zijn tijd doorbrengt met peinzen, en waarop de harde slagen die het gezin troffen, een diepen en blijvenden indruk maakten, waardoor zijn karakter een stempel kreeg…’.  Al vroeg in zijn leven schreef Ibsen gedichten en toneelstukken. Vanaf 1851 vonden zijn eerste buitenlandse reizen plaats, onder andere naar Kopenhagen en Dresden. Voor zijn ontwikkeling zijn deze reizen bepalend zijn geweest; de indrukken die hij daar opdeed, werden verwerkt in zijn vroege stukken zoals ‘De Johannesnacht’. Hij was vanaf 1857 tot 1864 leider van Det Norsk Teatret in Kristiania. In de tijd dat Noorwegen Denemarken niet te hulp kwam in een conflict met Pruisen, verliet Ibsen uit onvrede over de politieke situatie Noorwegen. Met steun van een stipendium kon hij naar Duitsland en Italië reizen; hij bleef uiteindelijk 27 jaar in het buitenland. In 1891 keerde hij terug naar Noorwegen en overleed daar in 1906. Henrik Ibsen wordt gezien als grondlegger van het modernistisch drama. Geboren in de eeuw van de romantiek en in de tijd dat in Noorwegen het historisch drama volop in de belangstelling stond, waren zijn eerste werken, zoals ‘De Kroonpretendenten’ ook in deze traditie geschreven. De verandering werd ingezet met het schrijven van ‘Komedie der liefde’ in 1862. Zo getuigt het gedicht ‘Brand’ (1866) van zijn pessimistische kijk op de samenleving, waar het handelt over een idealist die in conflict komt met de samenleving en uitgestoten wordt. Als in 1867 ‘Peer Gynt’ verschijnt, wordt dit gezien als een logische voortzetting van de twee bovenstaande stukken.
Peer
Gynt wordt als leugenaar, karakterloos en met neiging tot grootspraak opgevoerd, waarmee Ibsen op satirische wijze een verwijzing naar het Noorse volk plaatst.  Met deze stukken ontstaat de ‘moderne’ Ibsen, die aandacht vraagt voor maatschappelijke vraagstukken en sociologische problemen.

Peer Gynt
‘Peer Gynt’ is een toneelstuk in vijf bedrijven waarin de hoofdpersoon een karikatuur van een Noorse volksheld wordt. Het verhaal schetst in drie fases het leven van de dorpsjongen die aanvankelijk liegend en klaplopend door het leven gaat, maar aan het einde zijn leven beziet en tot inkeer komt. Als jongeman schaakt hij de bruid Ingrid op haar huwelijksdag; door het dorp verbannen, vlucht hij de bergen in, waar hij gezocht wordt door Solveig, de domineesdochter, die van hem houdt. Hij vlucht weg als de dochter van de trollenkoning met hem wil trouwen en bouwt een hut. Solveig vraagt of ze bij hem mag wonen, maar als de trollenprinses hem zijn kind toont, vlucht hij weg en laat Solveig achter.
In de tweede levensfase is Peer Gynt een rijk man van zestig die op zijn reizen naar Marokko en Egypte niets en niemand heeft ontzien om fortuin te maken, terwijl Solveig wacht op zijn terugkomst.
In de derde levensfase beschouwt Peer zijn leven, beseft dat hij zijn ware ik moet vinden en keert terug naar Solveig.
Henrik Ibsen schreef ‘Peer Gynt’ in 1867, in de periode dat hij in Rome woonde. Veel van wat Ibsen beschrijft heeft hij ontleend aan zijn eigen leven. Een belangrijk thema in zijn werk is vrijheid en het streven naar het realiseren van zichzelf, zoals hij zelf heeft gedaan, maar ook zijn hoofdfiguren laat doen. In ‘Peer Gynt’ zijn voorbeelden hiervan te vinden, wanneer de hoofdpersoon op reis gaat en zichzelf tenslotte geconfronteerd ziet met zijn leven. Ibsen heeft in de figuur Peer Gynt veel van zijn kritiek op het Noorse volk gelegd zoals het egoïsme, de grootspraak en het verkeren in een droomwereld, waarmee hij impliciet ook de romantiek veroordeelde. Volgens Boer verwijderde Ibsen zich met dit stuk van de nationale romantiek, maar zit het toch vol met romantische elementen. Hij noemt de figuren uit de sprookjeswereld, de heksen, de
trold, het metafysische slot. Ook is er sprake van symboliek: zo staat de trold voor de egoïst en de vreemde passagier die Peer op zee ontmoet, voor het geweten.

Zettingen ‘Solveigs lied’ 

Zetting Edvard Grieg
Toen Ibsen in 1874 Edvard Grieg vroeg muziek te schrijven bij de toneelversie van ‘Peer Gynt’, was de componist 31 jaar en aan het begin van zijn carrière. Grieg werd in 1843 geboren in een muzikale familie. In 1862 verscheen zijn Opus 1: ‘Vier stukken voor piano’. In de jaren ’60 had Grieg al contact met Ibsen voor wie hij muziek op zijn teksten componeerde. Grieg was vooral pianist en zeer met de natuur en zijn vaderland verbonden. Als componist nam hij veel kenmerken hiervan en van volksmuziek op in zijn composities. Hij heeft geen grote symfonieën geschreven; wel heeft hij veel liederen gecomponeerd. Met het componeren van ‘Peer Gynt’ werd zijn naam gevestigd en werd hij een beroemd en geliefd componist in Noorwegen en Europa. Hij stierf in 1907 in Oslo. Griegs composities getuigen van tonaliteit, harmonie en lyrische klanken. Zo benaderde hij ook ‘Peer Gynt’. Volgens Heiberg ‘…transponeerde hij de figuur van ‘Peer Gynt’ tot een sprookjesheld in Noors-romantische stijl en in die geest ontstond de muziek…’. Hij zou lang geaarzeld hebben voor hij de opdracht accepteerde. Grieg zou ‘Peer Gynt’ ‘…het slechtste stuk…’ vinden dat hij ooit gelezen had en had de opdracht slechts geaccepteerd vanwege ‘…de tweehonderd daalders en de reis…’. Volgens Horton echter moet hij niet lang geaarzeld hebben. Evenwel duurde het tot de zomer van 1875 voordat de muziek gereed was. De première op 24 februari 1876 in Kristiania was een overweldigend succes; waarna nog eens 37 voorstellingen in hetzelfde jaar volgden. Grieg heeft na deze première de muziek nog vele malen herzien.

Solveigs Lied
De scene waarin Solveig haar lied zingt, valt in het vierde bedrijf, in de tiende scene. Hoewel er vele bewerkingen zijn gemaakt, is het oorspronkelijk geschreven voor sopraan, fluit, klarinet, viool, altviool, cello en contrabas. Uitgangspunt is de
Urtext met Noorse en Duitse tekst. Peer is op reis en het perspectief verplaatst zich naar de hut waarin Solveig zit te spinnen. Zij zingt de volgende tekst:

Solvejg’s Sang
Kanske vil der gå både Vinter og Vår
Og naeste Sommer med, og det hele År
Men engang vil du komme, det ved jeg visst.
Her skal jeg nok vente, for det lovte jeg sidst.

Gud styrke dig, hvor du i Verden går
Gud glaede dig, hvis du for hans fodskammel står
Her skal jeg vente till du komme igjen
Og vente du hisst oppe, vi traeffes der, min Ven!

Wellicht zal de winter en lente voorbijgaan
En de zomer ook, en elke volle maan,
Maar eens zal je komen, dat weet ik beslist,
En ik zal wachten, ik heb je zo gemist.

God sterkt je, waar in de wereld je ook gaat!
God troost je, als je nu voor zijn troon staat!
Hier zal ik wachten, al duurt ’t honderd jaar,
En wacht je hierboven, dan zie ik je daar.

Edvard Grieg heeft van Peer Gynt een romantische held gemaakt, hetgeen te zien is in zijn compositie. ‘Solveigs lied’ moest volgens Grieg uitdrukkelijk het karakter van een volksmelodie krijgen. Terwijl Solveig zit te neuriën onder het spinnen, klinken de eerste maten in een kort voorspel. Vervolgens illustreert de melodie in een stijgende lijn in a-mineur het verlangen van Solveig in de eerste strofe. Bij ‘Frühling’ (de hoop op terugkeer ?) wordt een klein crescendo en diminuendo gemaakt. De herhaling van ‘Frühling’ versterkt de tekstuitbeelding. Met hetzelfde noten materiaal, met kleine ritmische variaties, wordt de tweede zin opgebouwd en ook hier vindt tekstherhaling en opbouw van dynamiek plaats. Het tweede deel van de strofe laat een ander karakter zien met de chromatiek bij ‘versprochen’ en ‘treulich’. De niet vervulde ‘Sehnsucht’ wordt hiermee, ook met de tekstherhaling, benadrukt. Het geneurie van de sopraan (inmiddels in A-majeur) symboliseert zowel ritmisch als dynamisch het spinnen van Solveig. De tweede strofe is melodisch en dynamisch een herhaling van de eerste strofe. Door het gebruik van veel achtste noten krijgt het lied een lyrisch karakter. De begeleiding van de strijkers is geheel in overeenstemming met de romantiek van het lied en vooral rustig en lyrisch in gebroken akkoorden opgebouwd. Het lied is strofisch gecomponeerd en het gekruist rijm (ABAB) deelt de strofen in tweeën, waarmee het dramatisch karakter versterkt wordt. De versiering in de vorm van de voorslagen geven enigszins een melancholisch karakter aan de compositie. De tekstplaatsing in de compositie is letterlijk en volgt de zinsbouw van het toneelstuk.

Harald Saeverud
De componist Harald Saeverud werd door Hans Jacob Nilsen in 1948 gevraagd de muziek te componeren bij een nieuwe, door Henrik Rytter in het Nieuw-Noors gezette versie van het stuk. Nilsen was tot de conclusie gekomen dat Peer Gynt geen sprookjesheld was, maar een egoïst en een leugenaar en ontdeed het stuk van zijn romantische lading. Volgens hem had Edvard Grieg er ten onrechte romantische muziek bij geschreven.
Saeverud, geboren in 1897 startte zijn carrière als laat-romanticus, maar begon in de jaren ‘30 te experimenteren met atonaliteit en eenvoudige expressie. In zijn werk is de melodie een leidend element, het kenmerkt zich door een sterk ritme en neigt naar polyfonie. In de Tweede Wereldoorlog schreef hij enkele composities als protest tegen de Duitse invasie. Vanaf die tijd componeerde hij alleen nog Noorse werken. Hij overleed in 1992.
Saeverud voelde zich evenals Grieg, aangetrokken tot de natuur en componeerde veel volksmuziek. Daarmee was hij volgens Heiberg de juiste componist om het stuk van Ibsen van nieuwe muziek te voorzien20.

Solveigs Lied
De compositie van Saeverud toont duidelijk dat Solveigs lied een ander karakter heeft. In het korte repetitieve voorspel van de eenvoudige begeleiding van hobo, klarinet (en viool) is de chromatiek duidelijk te constateren. Wel in a-mineur gezet, zijn er geen lyrische samenklanken van de strijkers, maar maken de kleine secundes stijgend of dalend, onder andere in de triolen, een minimalistische indruk. De sopraan zingt vervolgens de melodie a-capella. In de sopraanpartij is de ambitus klein, behalve de sterke daling van c naar eis aan het einde van de derde regel in beide strofen. Door de sopraan op de cis te laten inzetten, doorbreekt de componist tevens de harmonische kleur van a-mineur. De componist weet met het geringe notenmateriaal wel spanning op te bouwen, mede door de chromatiek en regelmatig van maatsoort te wisselen. Hoewel er weinig dynamische aanduidingen zijn te constateren, behoudt het lied spanning en lyriek. De tekstplaatsing in deze compositie is letterlijk en volgt de zinsbouw van het gedicht. Er is geen tekstherhaling. De twee strofen worden slechts met een kort tussenspel achter elkaar gezongen. Hoewel er ritmisch en melodisch wel kleine verschillen zijn te constateren tussen de strofen, is het voornamelijk strofisch gecomponeerd.
Saeverud heeft de nieuwe versie van ‘Peer Gynt’, samen met Hans Jacob Nilsen op de kaart gezet, getuige de lovende recensie in het Utrechts Nieuwsblad van 22 november 1949 en, hoewel in een enkele zin geformuleerd, lovende kritieken in het buitenland.

De verschillen in beide composities zijn groot.

Grieg heeft van Peer Gynt een romantische held willen maken, geheel passend in zijn tijd en bij zijn manier van componeren. Dit resulteerde in een uiterst romantisch beeld van Solveig die zingend voor haar hut zit, wachtend op haar held. De zetting van Grieg is daar een getuigenis van: veel lyriek en harmonie, zowel in de begeleiding als in de gezongen melodie. Weinig chromatiek, alleen daar waar het de gemoedstoestand moest weergeven. En veranderend van toonsoort als de handeling daarom vroeg.

Saeverud daarentegen was al aan het experimenteren met andere compositietechnieken en zocht geheel in de geest van de tijd naar de mogelijkheden van de chromatiek en minimale woorduitbeelding. Zijn versie is ontdaan van elke romantiek en door haar bijna geringe middelen een miniatuur vergeleken bij Grieg. Geen tekstherhaling, geen verandering van toonsoort en een sopraan die, ontdaan van alle versieringen, haar tekst zingt; minstens zo indrukwekkend . Een volksmelodie moest het zijn.

Beide componisten gebruikten dezelfde tekst; ook de tekstplaatsing is overgenomen en de zinsbouw gevolgd. In de versie van Grieg is de woorduitbeelding sterker door een opbouw in de dynamiek. Hiervan is bij Saeverud weinig sprake.
Zowel Grieg als Saeverud hebben allebei succes gehad met hun composities.