‘Nimphes des bois’ van Josquin des Prez

Drie generaties: Dufay, Ockeghem en des Prez

In de vijftiende eeuw werd de muziek in Europa gedomineerd door enkele Frans-Vlaamse componisten. Zij waren afkomstig uit de Lage Landen en Noord-Frankrijk en vooral werkzaam aan de hoven in Frankrijk en Italië. Er ontstond dan ook een soort internationale stijl die zich kenmerkte door ingrediënten uit allerlei landen. De belangrijkste componisten van deze stroming waren Guillaume Dufay (1397/98-1474), Johannes Ockeghem (1410-1497) en Josquin des Prez (1450-1521). Terwijl de muziek van Dufay werd gekenmerkt door polyfone invloeden uit Frankrijk en harmonische drieklanken afkomstig uit Engeland, breidde Ockeghem het toonsysteem uit met een laag basregister, waardoor elke stem zijn eigen plaats kon innemen. Ook liet hij de baspartij niet trager verlopen dan de andere stemmen, waardoor de stemmen meer gelijkwaardig werden.

Johannes Ockeghem werd in zijn tijd behalve als componist ook als wiskundige gezien. Hij verbleef meer dan veertig jaar aan het Franse hof en werd zeer geprezen om zijn kennis van de aritmetica, geometrie, astrologie en muziek. Ook moet hij een buitengewoon goede zanger zijn geweest met een zeer lage bas. Bij zijn dood werd hij dan ook door verschillende componisten en dichters geëerd met klaagzangen. Ook Erasmus herdacht hem met enkele woorden ‘…Is dus voorgoed tot zwijgen gebracht die eens zo edele stem, de gouden stem van Ockeghem…’

Een van de dichters die hem eerden was Jean Molinet (1435-1507); deze had veel contact met de componisten van zijn tijd. Hij schreef de elegie ‘Nimphes des bois’ bij de dood van Johannes Ockeghem in 1497. En zo komen we bij de derde Frans-Vlaamse componist Josquin des Prez; hij componeerde muziek bij deze tekst en bracht hem daarmee tot klinken. De muziek van Josquin kenmerkt zich onder andere door een Italiaanse invloed die tot uiting komt in een meer declamatorische stijl, waarbij de tekstuitdrukking en verstaanbaarheid van de tekst vooropstaan.

Josquin des Prez : meester van de noten

 Of Josquin een leerling van Ockeghem is geweest, is niet duidelijk; wel is waarschijnlijk dat zij contact met elkaar hebben gehad via het Franse hof. In zijn tijd waren musici geen zelfstandige kunstenaars, maar verbonden aan koninklijke hoven of sloten zich aan bij een kerkelijke overheid. Dit gold ook voor Josquin: hij was lange tijd verbonden aan hoven in Italië en aan het einde van zijn leven werd hij benoemd tot proost van de Notre Dame in Condé sur l’Escaut in Frankrijk. Jossequin Lebloitte, dit Desprez, zoals zijn eigenlijke naam luidde, werd geboren in Noord-Frankrijk. Zijn geboortejaar is niet helemaal zeker, maar dit moet omstreeks 1455 zijn geweest. Zijn naam komt voor het eerst in de boeken voor tussen 1474 en 1478 als zanger in de hofkapel van René d’Anjou in Aix-en Provence, een belangrijke mecenas in die tijd. Vervolgens wordt Josquin omstreeks 1490 getraceerd in Milaan, waar hij in dienst kwam van het Huis Sforza; later werd hij lid van de pauselijke hofkapel in Rome en verbleef hij in Ferrara bij de familie d’Este.

Josquin was een belangrijke componist in zijn tijd en werd door velen, ook na zijn dood, geprezen. Luther noemde hem in 1538 ‘…Josquin is de meester van de noten die moeten doen wat hij wenst…’ Josquin moet een welgesteld man zijn geweest, hetgeen valt op te maken uit zijn testament, waarin gesproken wordt over het nalaten van zijn huis en landerijen aan de kerk. In de misschien wel vijftig jaar dat Josquin componeerde, heeft hij een indrukwekkend oeuvre achtergelaten. Indrukwekkend vanwege het feit dat hij als geen ander de compositietechnieken van zijn tijd optimaal wist te benutten en te combineren met een grote muzikale expressiviteit. Evenals Josquin een klaagzang componeerde bij de dood van Johannes Ockeghem, waren er verschillende jonge componisten die op hun beurt bij de dood van Josquin treurzangen voor hem componeerden.

 ‘Nimphes des bois’

Dat Josquin de klaagzang ‘Nimphes des bois’ componeerde ter gelegenheid van de dood van Johannes Ockeghem in 1497 kan gezien worden als een hommage aan de oudere componist. Josquin was bekend met de compositietechniek van Ockeghem en gebruikte zijn deze als voorbeeld voor zijn eigen werk. Beide componisten maakten gebruik van symboliek in de notatie. Zo hanteerden zij een methode waarbij letters van een woord worden omgezet in hun numerieke waarde; deze getalsstructuren vormden de basis voor hun composities. Met behulp van deze techniek verwijst Josquin onder andere in verschillende composities naar zijn eigen en de naam van Ockeghem. Een andere symboliek, die in ‘Nimphes des bois’ werd toegepast, was de notatie in zwarte noten als teken van rouw, terwijl toen al sprake was van een witte, open notatie. Hiermee benadrukte Josquin het karakter van het werk.

De tekst van Molinet bestond oorspronkelijk uit drie kwatrijnen; Josquin heeft hier nog een regel aan toegevoegd. De klaagzang is vijfstemmig, waarbij een opvallende rol is weggelegd voor de tweede tenor. Terwijl de bovenstemmen samen met de eerste tenor en de bas de Franse tekst en melodie zingen, is er voor de tweede tenor een extra partij toegevoegd: deze zingt in langgerekte tonen de introïtus van de Requiem-mis. Bovendien is in de Medici-codex een aanwijzing gegeven dat deze partij een halve toon lager gezongen moet worden dan dat hij is genoteerd. De tweede tenor moest dus zijn stem lager laten klinken om de droevige stemming tot uiting te laten komen. Duidelijk is te horen hoe in de eerste maten als het ware tweemaal twee stemmen samen optrekken; de sopraan en alt beginnen, de eerste tenor en de bas komen drie maten later met dezelfde eerste zin: ‘Nimphes des bois’. De tweede tenor heeft zijn eigen orde en zet direct het ‘Requiem…’ in, waarbij opvalt hoe lang hij doet over ‘Requiem eternam dona eis, domine: et lux perpetua luceat eis…’ De bovenstemmen hebben in deze tijd twee kwatrijnen gezongen. De muziek geeft uitdrukking aan de tekst: geef hem eeuwige rust.  Regelmatig volgen de bovenstemmen elkaar zowel met harmonische drieklanken als tekstueel in wisselende paren op, tot zij in het vierstemmige afsluitende kwatrijn ‘Acoustres vous d’habis de doeul…’ weer gezamenlijk optrekken. De tweede tenor zwijgt hier, als wil Josquin het droevige van de tekst extra benadrukken en tot klinken laten komen. De klaagzang wordt afgesloten met een vijfstemmig ‘Requiescant in pace. Amen’, de laatste regel van de introïtus, waarbij de bovenstemmen met de tweede tenor mee zingen.

Zoals de tekst uitdrukt: Ockeghem werd als een vader beschouwd en Josquin heeft hem met deze klaagzang als een zoon de eer gegeven die hem toekwam.

 Nimphes des bois                                             Jean Molinet

Nimphes des bois, deesses des fontaines,         Nymfen van de wouden, godinnen van de      rivieren
chantres experts de toutes nations,                   geleerde zangers van alle landen,
changes vos vois tant cleres et haultaines       verandert uw zo heldere en trotse stemmen
en cris trenchans et lamentations,                    in snijdende kreten en klaagzangen.

Car Atropos tres terrible satrappe                    Want Atropos, de verschrikkelijke satraap,
a vostre Ockeghem attrape en sa trappe,        heeft uw Ockeghem in haar val gestrikt,
vray tresorier de musique et chief dóeuvre,    ware schatbewaarder en kopstuk van de muziek,     
doct, elegant de corps et non point trappé,    geleerd, elegant van verschijning en niet log,
grant dommage est que la terre le couvre.     Hoe jammer is het dat de aarde hem bedekt.

Acoustres vous d’habis de doeul,                      Trekt uw rouwgewaden aan,
Josquin, Persson, Brumel, Compere,              Josquin, Pierre de la Rue, Brumel, Compère,
et ploures grosses larmes d’oeil:                      en weent met grote tranen:
perdu avec vostre bon pere.                              u hebt uw goede vader verloren.

Requiescant in pace. Amen                            Mogen zij in vrede rusten. Amen

-/-